De bieb


  • Close

Vanaf de rivier nader ik het gebouw. Er bevinden zich talloze gillende en schreeuwende meeuwen in de lucht. Ze cirkelen geestdriftig in het rond. Spelen ze soms een spel!? Misschien schetteren ze wel bevelen naar elkaar. Neen, wacht eens even, er wordt verwezen naar een mij niets zeggende plek. En nu er uit hun tetteren blijkt dat er daar kennelijk niets te beleven valt, dat het slechts scherts was waarin ze geketend raakten, valt de kluwen verenvlerkenvleugels op z’n grofst snavelend uit elkaar. Nog n√†bekkend en hergroeperend volg ik ze opweg naar hun volgende locatie in het zwerk, waar, wie zal het zeggen, vissen misschien wel kunnen dansen en zingen, waar wolken allen tot zetels zouden kunnen zijn. Waar ik afscheid van ze neem. Waar ik weer opweg ga naar de bibliotheek. Opweg naar de ruimtes waar ik in de zijnssferen van schrijvers toeven mag. Waar boeken zich ook doen gelden middels hun wervend aardse geur. Waar ik altijd rijker word dan ik was. Op dat platform. Op dat reuze dienblad waar we met elkaar verbonden zijn door verbeeldingskracht.